Vulkaanuitbarstingen

 

Een chronologisch overzicht

De gegevens over uitbarstingen vanaf 1947 tot heden zijn tot stand gekomen dankzij de bereidwillige medewerking van IJslands beroemdste vulkanoloog en filmer van vulkaanuitbarstingen: Vilhjálmur 'Willy' Knudsen en zijn te vroeg overleden vader Ósvaldur Knudsen. Behalve het uitvoerig verslaan van uitbarstingen, runt Willy in Reykjavík een eigen theater, waar ook zijn videostudio is gevestigd. Het adres luidt: The Volcano Show, Hellusund 6a, Reykjavík. Tel.: 55.13.230 en fax: 55.29.975. Om deze opsomming niet al te lang te maken zijn alleen de grotere uitbarstingen opgenomen.

1104 Hekla De eerste op schrift vastgelegde uitbarsting. Enorme gebieden, waaronder de nederzetting in Thjórsárdalur, werden verwoest. Lava en as: 2,5 km3.
1362 Öraefi De vulkaan Öraefajökull barstte in 1362 uit onder het uitstoten van de grootste asregen uit de geschiedenis van IJsland. Het resultaat was dat Litla Hérad, het kleine district, volledig verlaten werd, waarna de streek de naam Öraefi kreeg, hetgeen verspild land betekent. Boerderijen in het Öraefi-district werden verplaatst naar verhoogde plaatsen en gebouwd in kleine groepen (clusters) op de berghellingen.
1724-1729 Krafla Hierbij ontplofte de explosiekrater Víti. De uitbarsting staat bekend onder de naam 'het vuur van Mývatn'.
1727 Öraefi De beijzelde vulkaan Öraefi speelde in dit jaar een desastreuze rol in de geschiedenis van IJsland. Onder de mensen, die in boerderijen en dorpjes de smalle groenstrook bewonen tussen de Öraefajökull en zijn sanders, vonden sommigen de dood doordat ze in het ziedend hete water, dat bij erupties de bergwand af kwam stromen, gekookt werden.
1783 Lakagígar Van 1 juni tot 8 juni werd de streek waar de rivier Skaftá ontspringt getroffen door een reeks heftige aardbevingen. Op de ochtend van 8 juni ontstond een ongelofelijk dikke rookwolk vol met as, die de zon verduisterde. Twee dagen later spoot uit een rij van 100 kleine kraters, samen de 30 km lange Lakagígar vormend, de lava omhoog en stroomde zuidwaarts, naar het 200 m diepe en 50 m brede Skaftádalur, die volledig werd opgevuld door de dunvloeibare lava. Vervolgens stroomde de lava verder en bereikte 25 km verder de zee, onderweg boerderijen, kerken en dorpen vernietigend. Hierdoor ontstond een groot lavaveld, Skaftáreldahraun, die met zijn oppervlakte van 565 km2 en inhoud van 12 km3 het grootste lavaveld ter wereld is, dat ooit bij één enkele uitbarsting is ontstaan. Deze uitbarsting (Skaftáfires) was ook de krachtigste vulkanische spleeteruptie ter wereld. Een enorme wolk vulkaanas ontstond bij deze uitbarsting, die tot in Zuid-Europa merkbaar was. Doordat ook grote delen van gletsjers smolten en vervolgens door de enorme hitte verdampten, ontstonden er enorme wolkbreuken. Het water kon niet door de Skaftá verder en overspoelde het land, waardoor alsnog vele, door de lava gespaarde, huizen werden weggespoeld. Twee maanden lang heerste er een diepe duisternis, waarna er, op 13 augustus, opnieuw een uitbarsting volgde. De lava kon alleen nog maar in zuidoostelijke richting vloeien, richting Hverfisfljót, waarvan het dal ook volledig werd gevuld. De eruptie had vreselijke gevolgen voor de IJslanders: weliswaar was niemand door de lava gedood, maar de as en giftige gassen lieten de oogst mislukken, terwijl ziekte en hongersnood een ongeëvenaarde hoeveelheid slachtoffers eiste, zowel bij de mensen als onder de veestapel. De helft van het rundvee (12.000 stuks), 75% van de paarden (18.000) en schapen (190.000) en 25% van de IJslandse bevolking (10.000) kwamen om het leven. Denemarken had plannen klaar om de rest van de IJslandse bevolking naar Jutland over te brengen, maar die plannen liepen op niets uit. Deze eruptie werd uitvoerig beschreven door priester Jón Steingrímsson, die leefde van 1728 tot 1791.
1875 Askja Hierbij ontstonden Öskjuvatn en de explosiekrater Víti. Het was de laatste Askja-eruptie die grote schade aanrichte.
1907 Askja  
1918 Katla De laatste uitbarsting van deze vulkaan onder de Mýrdalsjökull.
1947 Hekla Deze grote uitbarsting begon op 29 maart en duurde tot 21 april 1948 (13 maanden), waarbij de eruptiekolom een hoogte van 30 km bereikte. De lava bedekte een gebied van 40 km2 en het volume werd geschat op 0,8 km3.
1961 Askja De voorlopig laatste uitbarsting in de Askja caldera duurde van 26 oktober tot 7 december. De lava bedekte een gebied van 11 km2 en het volume werd geschat op 0,1 km3.
1963 Surtsey De meest recente onderzeese uitbarsting begon op 14 november 1963 en duurde maar liefst 3,5 jaar. Er ontstonden 3 eilanden: Surtsey, Christmas Island en Klein-Surtsey. Na de eruptie bleef alleen Surtsey bestaan. Gedurende deze jaren openden en sloten verschillende kraters. De grootte van Surtsey was na afloop 2,7 km2. Tegenwoordig is het eiland nog slechts 1,8 km2 groot.
1970 Hekla Tussen 5 mei en 5 juli kwam niet de Hekla zelf, maar 3 kraters in de buurt van de berg tot uitbarsting. De lava bedekte een gebied van 18,5 km2 en het volume werd geschat op 0,2 km3.
1973 Heimaey Van 23 januari tot 26 juni barst de vulkaan op het enige bewoonde eiland van de Westmaneilanden. De lava bedekte een gebied van 3,2 km2 en het volume werd geschat op 0,23 km3.
1975 Mývatn De grote Mývatn-uitbarsting begint in de zomer met een aantal aardbevingen. Toen bleek dat deze bevingen in de herfst nog steeds aanhielden, werd een civiel verdedigingsplan opgesteld in het aan het meer gelegen plaatsje Reykjahlíd. Op de eerste dag van de uitbarsting (20 december 1975) vonden in de caldera van de Krafla een groot aantal aardbevingen plaats. Op één dag zakte een groot deel van de caldera meer dan 2 m en een kleine krater vormde zich ten noorden van de berg Leirhnjˇkur. Er kwam gedurende slechts 20 minuten lava uit, die een gebied van maar 0,5 km2 met lava bedekte. Het continue inzakken van de grond duurde tot maart 1976. In februari 1976 werd een magmakamer ontdekt op 3 km onder de Leirhnjˇkur, in het midden van de Krafla-caldera. De bodem van deze magmakamer bevond zich op 7 km diepte. Tot 1984 heeft deze magmakamer zich afwisselend gevuld en geleegd, waarbij de lava niet altijd op de aardkorst terechtkwam.
1977 Krafla Op 27 april vindt er een uitbarsting plaats in de vulkaan Krafla bij Mývatn. Er vormden zich 2 kraters aan de noordelijke rand van de caldera. Plotseling kwam er een enorme ondergrondse magmastroom uit de magmakamer, die in zuidelijke richting naar de stad Reykjahlíd stroomde. Deze ondergrondse stroom veroorzaakte zoveel druk in de spleet ten oosten van de stad, dat de berg Námafjall aan de andere kant van deze spleet binnen 24 uur maar liefst 2,1 m van de stad vandaan werd geduwd en de stad zelf 30 cm omhoog werd getild. De silicaatfabriek Bjarnarflag die op de spleet staat werd die dag 28 cm langer.
1977 Krafla Op 8 september vindt er opnieuw een uitbarsting plaats in de vulkaan Krafla. De magmakamer begint om 16.00 uur aan de noordkant ondergronds leeg te stromen. Ten noorden ervan opende zich om 18.00 uur een 1,5 km lange krater, die slechts 4 uur open bleef. Om 20.00 uur begon een reusachtige ondergrondse stroom zich vanuit de magmakamer naar het zuiden te verplaatsen, net als in april 1977. Deze ondergrondse stroom snelde met een snelheid van 2 m/s in de richting van Reykjahlíd. Binnen 2 uur en 45 minuten veroorzaakte dit zoveel druk op de spleet ten oosten van de stad, dat de berg Námafjall 1 m van de stad werd verplaatst en de stad zelf 7 cm omhoog werd gedrukt. Om middernacht kwam de lava door een 1.134 m diepe stoompijp bij de fabriek bovengronds. De eruptie via deze pijp duurde slechts 60 seconden, maar toch kwamen vele tonnen lava naar boven. Grjótagjá (de grote grot in oude lava bij de stad, waarin men kon baden) werd te warm om nog langer in te baden en is hiervoor tot op de dag van vandaag nog steeds te heet. Stóragjá, een andere in de stad gelegen grot (voor baden te koud en dus ongeschikt), werd vanaf die dag perfect om in te baden en is sindsdien erg populair geworden.
1980 Krafla Op 16 maart een uitbarsting in de Krafla-caldera, waar een 4 km lange krater slechts 4 uur geopend was.
1980 Krafla Tijdens een uitbarsting in de Krafla-caldera van 10 tot 18 juli ontstond een 6 km lange krateropening ten noorden van de caldera. Deze gebeurtenis was een keerpunt in de geschiedenis van de Mývatn-uitbarstingen. De eerste 4,5 jaar was een krater nooit langer geopend geweest dan 4 uur, waardoor het filmen ervan erg moeilijk was geweest.
1980 Hekla Van 17 augustus tot 22 augustus vindt er een uitbarsting plaats van de Hekla. De lava bedekte een gebied van 24 km2 en het volume werd geschat op 0,18 km3.
1980 Krafla Een uitbarsting in de Krafla-caldera van 18 tot 24 oktober. Een 7 km lange krater opende zich in de caldera. Voor het eerst kwam de lava recht boven de magmakamer naar boven en ook vloeide de lavastroom voor het eerst in zuidelijke richting naar de stad Reykjahlíd.
1981 Krafla Een uitbarsting in de Krafla-caldera van 30 januari tot 4 februari. Een 2 km lange krater opende zich ten noorden van de caldera, nadat de magma ondergronds 6 uur lang in noordelijke richting uit de magmakamer was gestroomd.
1981 Hekla Een uitbarsting van de Hekla van 10 tot 14 april. De lavastroom besloeg slechts een paar km2. Deze eruptie wordt tegenwoordig gezien als een vervolg op de uitbarsting van 1980. De wetenschappers omschrijven deze twee uitbarstingen als de Hekla 1980-81 eruptie. Het is soms moeilijk te bepalen wanneer de ene uitbarsting stopt en een volgende begint.
1981 Krafla Een uitbarsting in de Krafla-caldera van 18-23 november. Een 9 km lange krateropening opende zich in de caldera. Een enorme lavastroom stroomde in zuidwaartse richting naar de stad Reykjahlíd, maar stopte op tijd.
1983 Grímsvötn Een uitbarsting van 29 mei tot 4 juni in Grímsvötn.
1984 Krafla Van 4 tot 18 september stroomde een ongelofelijke hoeveelheid lava uit een 10 km lange scheur in de grond zowel in noordelijke als in zuidelijke richting.
1991 Hekla Van 17 januari tot 11 maart laat de Hekla weer van zich horen. Zij stoot een 12 km hoge as- en rookwolk uit. De lava bedekte een gebied van 20 km2 en het volume werd geschat op 0,15 km3. Deze uitbarsting bereikte nauwelijks het wereldnieuws doordat gelijktijdig de Golfoorlog uitbarstte.
1994 Hengill Het begin van een serie aardbevingen vanuit de Hengill vulkaan, welke tot op dit moment (april 1999) doorgaat. Op 6 km diepte stroomt magma, maar de wetenschap is het oneens of dit tot een uitbarsting zal leiden. Men is het er wel over eens, dat het een aardbeving met een kracht van 7-8 op de Richterschaal tot gevolg heeft.
1996 Bardabunga Na een serie zware aardbevingen in de vulkaan Bardabunga begon op 1 oktober een uitbarsting 10 km ten noorden van Grímsvötn. Al op de tweede dag doorbrak de eruptiekolom de 600 m dikke gletsjes en bereikte een hoogte van 3 km. De eruptie duurde 2 weken, waarbij het smeltwater in Grímsvötn stroomde, terwijl het ijs rond de vulkaan omhooggedrukt werd. Pas op 5 november volgde de gletsjerdoorbraak. Normaliter duurt zo'n doorbraak 10-14 dagen, maar dit keer duurde de vloedgolf slechts 1 dag, waardoor gigantische hoeveelheden water, ijs en grint over de spoelzandvlaktes in zuid-IJsland stroomden. Hierbij werden 30 km weg en enige bruggen verwoest, maar 10 dagen later werd de weg alweer heropend, zij het met een flink aantal omleidingen en tijdelijke bruggen. Zomer 1997 werd de weg officieel heropend, maar de reparatie van de bruggen werd pas in 1998 voltooid. De nieuwe vulkaan werd Gjalp gedoopt. Deze gebeurtenis was wereldwijd voorpaginanieuws, waardoor buitenlanders de indruk kregen dat IJsland aan het zinken was. Dit had zelfs een vrij groot aantal reisannuleringen tot gevolg!! Voor een zeer uitgebreid overzicht van deze gebeurtenis verwijs ik naar de internet website van The Volcano Show.
1998 Grímsvötn Op 18 december vindt opnieuw een uitbarsting plaats onder de Vatnajökull. De paddestoelvormige rookkolom reikt tot 10 km hoogte. De in de kolom optredende bliksem is zo kolossaal, dat deze vanuit Reykjavík zichtbaar is. De eruptie duurde 10 dagen en er volgde een kleine gletsjerdoorbraak. Wetenschappers hebben bekendgemaakt dat zij hier de komende 20-30 jaar vrijwel jaarlijks een eruptie verwachten.
2000 Hekla Van 26 februari tot 8 maart laat de Hekla voor het laatst van zich horen.

Wat staat IJsland nog meer te wachten?

Op dit moment (1999) wordt er nog steeds een reeds jaren verwachte uitbarsting van de Katla, onder de Mýrdalsjökull, verwacht. De Katla barstte in 1918 voor het laatst uit en in haar geschiedenis is zij gemiddeld twee maal per eeuw tot uitbarsting gekomen. De dikte van de ijskap boven de vulkaan varieert van 450 tot 700 m. Het staat vast, dat er een magmakamer onder de Katla zit, die van 2 km diepte tot aan zeeniveau reikt. Van april 1992 tot april 1993 waren er dagelijks aardbevingen met een kracht van 1 tot 3 op de schaal van Richter, die hun oorsprong op twee verschillende plekken onder de gletsjer hadden. Jaarlijks vinden er reddingsoefeningen plaats in het plaatsje Vík, ten zuiden van de gletsjer, en op het omliggende platteland. Wanneer er een uitbarsting plaatsvindt zal hoogstwaarschijnlijk het volgende staan te gebeuren: Er zal een grote explosie binnen de gletsjer plaatsvinden met een vele dagen durende asregen. De geleerden verwachten niet dat er een uitstroming van lava zal plaatsvinden. De watervloed, die vanaf de gletsjer komt zal ongeveer twee maal zo groot zijn als de grootte van de Amazonerivier. In het verleden zijn vaak tijdens uitbarstingen van de Katla enorm grote elektrische ladingen in de lucht ontstaan en veel mensen werden tot 30 km van de vulkaan door de bliksem getroffen. Normaal zullen de enorme waterstromen en stukken ijs langs de zandvlaktes dicht bij het plaatsje Vík naar beneden komen. Wanneer het water de zee bereikt, ontstaat een enorme getijdegolf langs de kust, zowel in oostelijke als in westelijke richting. Eén van deze golven treft de Westmaneilanden, kaatst terug en zal het dorp Vík overspoelen (zo'n vloedgolf heet Tsunami). De aardbevingen van 1992 waren westelijker dan gewoonlijk, wat kan betekenen dat het water op nog drie andere plaatsen zal ontsnappen, wat de reddingsoperaties nog moeilijker zal maken.